Juliana Bitter-Van der Noordaa 08-11-1878 06-01-1945 Jachtlaan 134
Begin september 1944 moeten twee ondergedoken geallieerde vliegeniers, de Engelsman Kenneth Ingram en de Amerikaan Robert Zercher worden ondergebracht op een veiliger adres. De 19-jarige Joop Bitter, lid van de verzetsgroep “Vrije Groep Narda”, vraagt aan zijn moeder of ze een tijdje mogen onderduiken in hun huis aan de Jachtlaan 134. Ondanks dat ze weet hoe gevaarlijk dat is vindt ze dat goed.
Klik hier voor het hele verhaalJachtlaan 134
Op 29 september 1944 wordt de “Vrije Groep Narda” verraden door Willem L’Ecluse. Een dag later wordt Van Terwisga gearresteerd en zes leden van de verzetsgroep opgepakt.
30 september 1944 ’s avonds om 23.30 uur gaan de Duitsers ook naar het huis van Juliana en haar zoon Joop Bitter. Juliana Bitter doet de deur open en heeft gelijk in de gaten dat het fout zit. Ze stormt de trap op naar boven om haar zoon en de onderduikers te waarschuwen. Joop Bitter schopt de eerste SD-er de trap af en duikt naar beneden. Een tweede SD-er die daarna de trap opkomt ziet de twee onderduikers en in die hectiek weet Joop Bitter en nog twee bewoners te ontkomen. Het schijnt dat hij zich die nacht schuilhoudt in een van de kleedhokjes van zwembad Bosbad.
Juliana Bitter en de twee geallieerde vliegeniers worden gearresteerd en overgebracht naar het SD-hoofdkwartier aan de Van Rhemenslaan 7 aan het Oranjepark.
In de nacht van zondag op maandag 2 oktober worden de zes opgepakte mannen en de twee geallieerde vliegeniers van het SD hoofdkwartier overgebracht naar het Apeldoornsche Bosch. Om vijf uur ’s ochtends worden ze, terwijl ze het Nederlandse volkslied zingen, zonder enige vorm van proces geëxecuteerd. De verzetsmannen zijn: Wim Aalders, Jan Barendsen, Reinier van GerrevinkWim Karreman, Jan Schut, Hans Wijma. De twee geallieerde vliegeniers zijn Kenneth Ingram en Robert Zercher..
Ter waarschuwing voor en afschrikking van de Apeldoornse bevolking worden de lichamen op verschillende straathoeken in Apeldoorn neergelegd. Bij ieder lichaam ligt een bord met het opschrift “Terrorist”. De acht mannen blijven drie tot vier dagen op straat liggen.
Juliana Bitter en Narda van Terwisga worden op transport gesteld naar kamp Ravensbrück, 80 kilometer ten noorden van Berlijn. Ravensbrück is berucht om de zware dwangarbeid, de afschuwelijke leefomstandigheden en de moordpartijen. Bijna 100.000 gevangenen hebben dat kamp niet overleefd. Juliana Bitter is één van hen. Ze is 65 jaar als ze aankomt en sterft op 6 januari 1945 door uitputting. Narda van Terwisga overleeft het kamp wel. Zij heeft ook doorgegeven wat Juliana Bitter op het laatst van haar leven tegen haar heeft gezegd: “Als ik dit hier niet overleef, laat mijn kinderen dan weten dat ik geen spijt heb van wat ik ook voor hun vrijheid heb gedaan”.